Raspaillebos

De Helix ligt aan de rand van het Raspaillebos dat een specifieke fauna en flora herbergt. Het heeft een zeer lange geschiedenis en wordt beheerd door Natuurpunt vzw en het Agentschap voor Natuur en Bos.

Fauna en flora

Dit bosgebied ligt op de flanken van de Bosberg en is omzoomd door een mozaïek van weiden, akkers, knotwilgenrijen en houtkanten. In het bos ontspringen tal van bronnen. In het voorjaar vormen de oevers van de bronbeekjes kleurrijke linten met pinksterbloem, dotterbloem en speenkruid. Daarbovenop kleurt het bos ook wit door bosanemonen en daslook, en paars door de wilde hyacinten. Deze typische voorjaarsflora is een gevolg van het eeuwenoude hakhoutbeheer.

De brede bosrand van struiken en ruigtekruiden vormt een lichtrijke overgang tussen het bos en de omliggende akkers. In deze overgangszone heerst een specifiek microklimaat met:

  • zoogdieren zoals wezel, hermelijn, bunzing …
  • vogels zoals zwartkop, nachtegaal, geelgors…
  • insecten zoals kleine ijsvogelvlinder, sleedoornpage, …

Vele dag- en nachtroofvogels broeden in of rond het bos. Ook enkele grotere zoogdieren hebben het hier perfect naar hun zin. Wie vroeg uit de veren is, kan langs de bosranden reeën zien grazen. Ook de vos werd al vele malen gesignaleerd.

Bovenlopen van beekjes die in een bos ontspringen, zijn ecologisch bijzonder waardevol. Deze bronbeekjes zijn het leefgebied van de zeldzame vuursalamander. Het water van deze beekjes is zeer geschikt voor larven van kokerjuffers, steenvliegen en eendagsvliegen, waterdiertjes die heel zuiver water nodig hebben. Verder van de bron kan het water verontreinigd worden door inspoeling van meststoffen en pesticiden. Door de strengere bemestingsnormen rond het bos is de waterkwaliteit van de beek hier nog goed.

Historiek

Het bodemgebruik in België werd in 1775 voor het eerst in kaart gebracht door graaf De Ferraris. De Ferrariskaarten geven een goed beeld van de bebossingsgraad in die tijd. Het Raspaillebos was toen ongeveer 450 hectare groot.

Tot in de 8ste eeuw maakte het Raspaillebos deel uit van het Kolenwoud dat de streek van Ronse tot voorbij Brussel bedekte. In de 12de eeuw was het nog 2500 hectare groot en reikte het tot aan de stadswallen van Geraardsbergen. Vanaf de 13e eeuw werden in Vlaanderen heel wat bossen gerooid en gebruikt voor landbouw door abdijen. Voor het Raspaillebos waren het vooral de Benedictijnenabdij van Geraardsbergen en de Cistercienzerinnenabdij van Beaupré-Grimminge. Eerst bewerkten de kloosterlingen de gronden zelf, later werden de gronden en bijhorende hoeven verpacht.

Nu is het Raspaillebos ongeveer 180 hectare groot. Er is enkel nog bos op de heuveltoppen van de Bosberg, omdat de steile hellingen te moeilijk zijn voor veel landbouwactiviteiten. Bovendien zou zonder bosbeplanting de vruchtbare bodem wegspoelen door erosie.

Beheer

In het Raspaillebos werd eeuwenlang hakhoutbeheer toegepast. Jonge bomen werden juist boven de bodem gekapt. Uit de overblijvende stronk, stoof genoemd, schoten jonge takken op. Het kappen gebeurde om de 7 jaar. Het hakhout werd gebruikt voor brandhout en geriefhout. Deze beheersvorm zorgde tijdelijk voor open plekken in het bos. De kruidlaag kreeg na het kappen meer licht en ontwikkelde zich weelderig. De rijke voorjaarsflora van het Raspaillebos is een gevolg van deze eeuwenoude traditie. Op een beperkt aantal plaatsen wordt het traditionele hakhoutbeheer opnieuw toegepast.

Vroeger werden dikwijls uitheemse boomsoorten, ook exoten genoemd, zoals Amerikaanse eik, Corsicaanse den … geplant. Deze bomen hebben een hoge groeisnelheid en geven een hogere houtproductie op korte termijn. De exoten worden nu vervangen door ecologisch meer waardevolle inheemse soorten zoals zomer- en wintereik, beuk, berk, zwarte els, es, boskers …. Op inheemse soorten komen meer soorten aan mossen, korstmossen en insecten voor. Deze insecten bieden op hun beurt aan heel wat vogels voedsel.

Natuurpunt vzw en het Agentschap voor Natuur en Bos zijn mede-eigenaars van het Raspaillebos en staan ook in voor het beheer ervan.